Culemborgs stadsgedicht 27

Opvlucht

Geen gisteren, geen morgen,
onafgebroken is dit nu,
zoals de lucht waarin ik leef
onontkoombaar hier is.

Hete julimiddag aan de Lek,
soezend aan het water,
lichtvlekken, vliegengegons,
grassprietjesgekriebel.

Ik ben weer kind, ik kan nog
zweven, ik wil opgaan:
kruinen, wolken, hemel, zon,
niets lijkt onbereikbaar.

Verre ijle dagdroomregionen
waarin je weer opstaat,
lachend op me af komt lopen,
je dood kalm negerend.

Een kerkklok slaat je passen,
vlierbloesem is je geur.
je ademt warme windzuchten,
een fluïde fysionomie.

Zo echt droomde ik je nooit,
waar was je al die tijd,
verschijn mij voortaan vaker
zo toverachtig dichtbij.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *